De woorden die in statenvertaling uitgaven over het algemeen cursief zijn gedrukt (het betreft woorden die niet in de brontekst staan maar de Nederlandse tekst makkelijker leesbaar maken) zijn hier tussen vierkante [haken] gezet, omdat cursivering in lopende tekst nadruk suggereert. De nummering van de verzen is achterwege gelaten omdat ik vind dat deze een goede lezing van de tekst zeer belemmert. De tekst is volledig overgenomen in de spelling zoals aangetroffen in de uitgave.
1
DE woorden van den Prediker,
den zoon van David, den Koning te Jeruzalem.
(IJdelheid van alle aardsche dingen.)
2
IK zeide in mijn hart:
Nu welaan! ik zal u beproeven door vreugde;
derhalve zie het goede aan; maar zie, ook dat was ijdelheid.
(De vermaken en de rijkdom brengen het geluk niet aan.)
3
ALLES heeft eenen bestemden tijd,
en alle voornemen onder den hemel heeft zijnen tijd.
(Alle ding in de wereld heeft zijnen tijd en beloop,
naar de ordening van God.)
4
DAARNA wendde ik mij,
en zag aan al de onderdrukkingen, die onder de zon
geschieden; en ziet daar waren de tranen der verdrukten, en dergenen,
die geenen trooster hadden; en aan de zijde hunner verdrukkers was macht;
zij daarentegen hadden geenen vertrooster.
(De rampen en de kwellingen des levens.)
5
WEES niet te snel met uw mond,
en uw hart haaste niet een woord voort te
brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel, en gij zijt op de
aarde; daarom laat uw woorden weinig zijn.
(Verschillende raadgevingen voor het dagelijksche leven.)
6
ER is een kwaad,
dat ik gezien heb onder de zon, en het is veel onder
de mensen:
(De mensch moest kunnen genieten van de goederen, die God
hem geeft; maar die goederen geven hem geene volkomene voldoening.)
7
BETER is een [goede] naam,
dan goede olie, en de dag des doods, dan de
dag, dat iemand geboren wordt.
(De rampen des levens; voordeelen der wijsheid en der gematigdheid.)
8
WIE is gelijk de wijze,
en wie weet de uitlegging der dingen? De wijsheid
der mensen verlicht zijn aangezicht, en de stuursheid zijns aangezichts
wordt [daardoor] veranderd.
(Vermaning, om den koning en de overheid alle behoorlijke
gehoorzaamheid te bewijzen.)
9
ZEKERLIJK, dit alles heb ik in mijn hart gelegd,
opdat ik dit alles
klaarlijk mocht verstaan, dat de rechtvaardigen, en de wijzen, en hun
werken in de hand Gods zijn; ook liefde, ook haat, weet de mens niet [uit]
al hetgeen voor zijn aangezicht is.
(De prediker verhaalt eenige dingen, die zoowel den vromen als
den goddeloozen wedervaren; daarom is het beste, om met blijdschap de
gaven Gods te aanvaarden.)
10
EENE dode vlieg
doet de zalf des apothekers stinken [en] opwellen;
[alzo] een weinig dwaasheid een [man], die kostelijk is van wijsheid
[en] van eer.
(De dwaasheid is oorzaak van allerlei ongelukken.)
11
WERP uw brood uit op het water,
want gij zult het vinden na vele dagen.
(Laat ons het goede doen, terwijl wij er in de gelegenheid voor zijn.)
12
EN gedenk aan uw Schepper
in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de
kwade dagen komen, en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult:
Ik heb geen lust in dezelve.