Verantwoording en lijst der boeken.

Het boek, genaamd

DE PREDIKER.

IJdelheid van alle aardsche dingen.

1

DE woorden van den Prediker, den zoon van David, den Koning te Jeruzalem. IJdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker; ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid. Wat voordeel heeft de mensch van al zijnen arbeid, dien hij arbeidt onder de zon? Het eene geslacht gaat, en het andere geslacht komt; maar de aarde staat in der eeuwigheid. Ook rijst de zon op, en de zon gaat onder, en zij hijgt naar hare plaats, waar zij oprees. Zij gaat naar het zuiden, en zij gaat om naar het noorden; de wind gaat steeds omgaande, en de wind keert weder tot zijne omgangen. Al de beken gaan in de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats, waar de beken heengaan, derwaarts gaande keeren zij weder. Al deze dingen worden [zoo] moede, dat het niemand zou kunnen uitspreken; het oog wordt niet verzadigd met zien; en het oor wordt niet vervuld van hooren. Hetgeen er geweest is, hetzelve zal er zijn, en hetgeen er gedaan is, hetzelve zal er gedaan worden; zoodat er niets nieuws is onder de zon. Is er eenig ding, waarvan men zou kunnen zeggen: Ziet dat, het is nieuw? Het is alreeds geweest in de eeuwen, die vóór ons geweest zijn. Er is geene gedachtenis van de voorgaande dingen; en van de navolgende dingen, die zijn zullen, van dezelve zal ook geene gedachtenis zijn bij degenen, die namaals wezen zullen. Ik, prediker, was koning over Israël te Jeruzalem. En ik begaf mijn hart om met wijsheid te onderzoeken, en na te speuren al wat er geschiedt onder den hemel. Deze moeielijke bezigheid heeft God den kinderen der menschen gegeven, om zich daarin te bekommeren. Ik zag al de werken aan, die onder de zon geschieden; en ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes. Het kromme kan niet recht gemaakt worden; en hetgeen ontbreekt, kan niet geteld worden. Ik sprak met mijn hart, zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd boven allen, die voor mij te Jeruzalem geweest zijn; en mijn hart heeft veel wijsheid en wetenschap gezien. En ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; ik ben gewaar geworden, dat ook dit eene kwelling des geestes is. Want in veel wijsheid is veel verdriet; en die wetenschap vermeerdert, vermeerdert smart.

De vermaken en de rijkdom brengen het geluk niet aan.

2

IK zeide in mijn hart: Nu, welaan! ik zal u beproeven door vreugde; derhalve zie het goede aan; maar zie, ook dat was ijdelheid. Tot het lachen zeide ik: Gij zijt onzinnig! en tot de vreugde: Wat maakt deze? Ik heb in mijn hart nagespeurd, om mijn vleesch op te houden in den wijn, (nochtans leidende mijn hart in wijsheid) en om de dwaasheid vast te houden, totdat ik zou zien wat den kinderen der menschen het best ware, dat zij doen zouden onder den hemel, [gedurende] het getal der dagen huns levens. Ik maakte mij grote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden. Ik maakte mij hoven en lusthoven, en ik plantte boomen in dezelve, van allerlei vrucht. Ik maakte mij vijvers van wateren, om daarmede te bewateren het woud, dat met boomen groende. Ik kreeg knechten en maagden, en ik had kinderen des huizes; ook had ik een groot bezit van runderen en schapen, meer dan allen, die vóór mij te Jeruzalem geweest waren. Ik vergaderde mij ook zilver en goud, en kleinooden der koningen en der landschappen; ik bestelde mij zangers en zangeressen, en wellustigheden der menschenkinderen, snarenspel, ja, allerlei snarenspel. En ik werd groot, en nam toe, meer dan iemand, die vóór mij te Jeruzalem geweest was; ook bleef mijne wijsheid mij bij. En al wat mijn ogen begeerden, dat onttrok ik hun niet; ik wederhield mijn hart niet van eenige blijdschap; maar mijn hart was verblijd wegens al mijne arbeid; en dit was mijn deel van al mijnen arbeid. Toen wendde ik mij tot al mijne werken, die mijne handen gemaakt hadden, en tot den arbeid, dien ik werkende gearbeid had; ziet, het was al ijdelheid en kwelling des geestes; en daarin was geen voordeel onder de zon. Daarna wendde ik mij, om te zien wijsheid, ook onzinnigheden en dwaasheid; want hoe zou een mensch, die den koning nakomen zal, [doen] hetgeen alreede gedaan is? Toen zag ik, dat de wijsheid uitnemendheid heeft boven de dwaasheid, gelijk het licht uitnemendheid heeft boven de duisternis. De oogen des wijzen zijn in zijn hoofd, maar de zot wandelt in de duisternis. Toen bemerkte ik ook, dat eenerlei geval hun allen bejegent. Dies zeide ik in mijn hart: Gelijk het den dwaze bejegent, zal het ook mijzelven bejegenen; waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan? Toen sprak ik in mijn hart, dat ook dit ijdelheid was. Want er zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van eenen wijze, dan van eenen dwaas zijn; aangezien hetgeen nu is, in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt; en hoe sterft de wijze met den zot? Daarom haatte ik dit leven, want dit werk dacht mij kwaad, dat onder de zon geschiedt; want het is al ijdelheid en kwelling des geestes. Ik haatte ook al mijnen arbeid, dien ik bearbeid had onder de zon, dat ik dien zou achterlaten aan eenen mensch, die na mij wezen zal. Want wie weet, of hij wijs zal zijn, of dwaas? evenwel zal hij heerschen over al mijn arbeid, dien ik bearbeid heb en dien ik wijselijk beleid heb onder de zon. Dat is ook ijdelheid. Daarom keerde ik mij om, om mijn hart te doen wanhopen over al den arbeid, dien ik bearbeid heb onder de zon. Want er is een mens, wiens arbeid in wijsheid, en in wetenschap, en in schikkelijkheid is; nochtans zal hij dien overgeven tot zijn deel, aan eenen mensch, die daaraan niet gearbeid heeft. Dit is ook ijdelheid en een groot kwaad. Wat heeft toch die mensch van al zijnen arbeid, en van de kwellingen zijns harten, dien hij is bearbeidende onder de zon? Want al zijne dagen zijn smarten, en zijne bezigheid is verdriet; zelfs des nachts rust zijn hart niet. Dat is ook ijdelheid. Is het [dan] niet goed voor den mens, dat hij ete en drinke, en dat hij zijne ziel het goede doe genieten in zijnen arbeid? Ik heb ook gezien, dat zulks van de hand Gods is. (Want wie zou er van eten, of wie zou zich [daartoe] haasten, meer dan ik zelf?) Want Hij geeft wijsheid, en wetenschap, en vreugde den mensch, die goed is voor Zijn aangezicht; maar den zondaar geeft Hij bezigheid om te verzamelen en te vergaderen, opdat Hij het geve dien, die goed is voor Gods aangezicht. Dit is ook ijdelheid en kwelling des geestes.

Alle ding in de wereld heeft zijnen tijd en beloop, naar de ordening van god.

3

ALLES heeft eenen bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijnen tijd. Er is een tijd om geboren te worden, en een tijd om te sterven; een tijd om te planten, en een tijd om het geplante uit te roeien; Een tijd om om te dooden, en een tijd om te genezen; een tijd om af te breken, en een tijd om te bouwen; Een tijd om te weenen, en een tijd om te lachen; een tijd om te kermen, en een tijd om op te springen; Een tijd om steenen weg te werpen, en een tijd om steenen te vergaderen; een tijd om te omhelzen, en een tijd om verre te zijn van omhelzen; Een tijd om te zoeken, en een tijd om verloren te laten gaan; een tijd om te bewaren, en een tijd om weg te werpen; Een tijd om te scheuren, en een tijd om toe te naaien; een tijd om te zwijgen, en een tijd om te spreken; Een tijd om lief te hebben, en een tijd om te haten; een tijd van oorlog, en een tijd van vrede. Wat voordeel heeft hij, die werkt, van hetgeen hij bearbeidt? Ik heb gezien de bezigheid, die God den kinderen der menschen gegeven heeft, om zichzelven daarmede te bekommeren. Hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijnen tijd; ook heeft Hij de eeuw in hun hart gelegd, zonder dat een mensch het werk, dat God gemaakt heeft, kan uitvinden, van het begin tot het einde toe. Ik heb gemerkt, dat er niets beters voor henlieden is, dan zich te verblijden, en goed te doen in zijn leven. Ja ook, dat ieder mensch ete en drinke, en het goede geniete van al zijnen arbeid, [Dit] is eene gave Gods. Ik weet, dat al wat God doet, dat zal in der eeuwigheid zijn, en er is niet toe te doen, en er is niet af te doen; en God doet [dat], opdat men vreze voor Zijn aangezicht. Hetgeen geweest is, dat is nu; en wat wezen zal, dat is alreede geweest; en God zoekt het weggedrevene. Verder heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse des gerichts, aldaar was goddeloosheid; en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid. Ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den goddeloze oordelen; want aldaar is de tijd voor alle voornemen, en over alle werk. Ik zeide in mijn hart van de gelegenheid der menschenkinderen, dat God hen zal verklaren, en dat zij zullen zien, dat zij [als] de beesten zijn aan zichzelven. Want wat den kinderen der menschen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten; en enerlei wedervaart hun [beide]; gelijk die sterft, alzoo sterft deze, en zij allen hebben enerlei adem, en de uitnemendheid der menschen boven de beesten is geene; want allen zijn zij ijdelheid. Zij gaan allen naar één plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keeren allen weder tot het stof. Wie merkt, dat de adem van de kinderen der menschen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde? Dies heb ik gezien, dat er niets beters is, dan dat de mensch zich verblijde in zijne werken, want dat is zijn deel; want wie zal hem daarhenen brengen, dat hij ziet, hetgeen na hem geschieden zal?

De rampen en de kwellingen des levens.

4

DAARNA wendde ik mij, en zag aan al de onderdrukkingen, die onder de zon geschieden; en ziet, daar waren de tranen der verdrukten, en dergenen, die geenen trooster hadden; en aan de zijde hunner verdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen vertrooster. Dies prees ik de dooden, die alreede gestorven waren, boven de levenden, die tot nog toe levend zijn. Ja, hij is beter dan die beiden, die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het booze werk, dat onder de zon geschiedt. Verder zag ik al den arbeid en alle geschikkelijkheid des werks, dat het den mensch nijd van zijnen naaste [aanbrengt]. Dat is ook ijdelheid en kwelling des geestes. De zot vouwt zijnen handen samen, en eet zijn eigen vleesch. Eene hand vol [met] rust is beter, dan beide de vuisten vol [met] arbeid en kwelling des geestes. Ik wendde mij wederom, en ik zag eene ijdelheid onder de zon; Daar is er een, en geen tweede; hij heeft ook geen kind, noch broeder; nochtans is van al zijnen arbeid geen einde; ook wordt zijn oog niet verzadigd van den rijkdom, en [zegt niet]: Voor wien arbeide ik toch, en doe mijne ziel gebrek hebben van het goede? Dit is ook ijdelheid, en het is eene moeielijke bezigheid. Twee zijn beter dan één; want zij hebben eene goede beloning van hunnen arbeid; Want indien zij vallen, de een richt zijnen metgezel op; maar wee den eene, die gevallen is! want er is geen tweede om hem op te helpen. Ook, indien twee te zamen liggen, zoo hebben zij warmte; maar hoe zou een [alleen] warm worden? En indien iemand den éénen mocht overweldigen, zoo zullen de twee tegen hem bestaan; en een drievoudig snoer wordt niet haast gebroken. Beter is een arm en wijs jongeling, dan een oud en zot koning, die niet weet van meer vermaand te worden. Want een komt uit het gevangenhuis, om koning te zijn; daar ook een, die in zijn koninkrijk geboren is, verarmt. Ik zag al de levenden wandelen onder de zon, met den jongeling, den tweede, die in diens plaats staan zal. Er is geen einde van al het volk, van allen, die vóór hen geweest zijn; de nakomelingen zullen zich ook over hem niet verblijden; gewisselijk, dat is ook ijdelheid en kwelling des geestes. Bewaar uwen voet, als gij tot het huis Gods ingaat, en zijt liever nabij om te hooren, dan om der zotten slachtoffer te geven; want zij weten niet, dat zij kwaad doen.

Verschillende raadgevingen voor het dagelijksche leven.

5

WEES niet te snel met uwen mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel, en gij zijt op de aarde; daarom laat uwe woorden weinig zijn. Want [gelijk] de droom komt door veel bezigheid, alzoo de stem des zots door de veelheid der woorden. Wanneer gij eene gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet uit die te betalen; want Hij heeft geen lust aan de zotten; wat gij zult beloofd hebben, betaal het. Het is beter, dat gij niet belooft, dan dat gij belooft en niet betaalt. Laat uwen mond niet toe, dat hij uw vleesch zou doen zondigen; en zeg niet voor het aangezicht des engels, dat het eene dwaling was; waarom zou God grootelijks toornen, om uwer stemme wille, en verderven het werk uwer handen? Want gelijk in de veelheid der droomen ijdelheden zijn, alzoo [in] vele woorden; maar vrees gij God! Indien gij de onderdrukking des armen, en de berooving des gerichts en der gerechtigheid ziet in een landschap, verwonder u niet over zulk een voornemen; want die hooger is dan de hooge, neemt er acht op; en daar zijn hoogen boven henlieden. Het voordeel des aardrijks is voor allen: de koning zelfs wordt van het veld gediend. Die het geld liefheeft, wordt van het geld niet zat; en wie den overvloed liefheeft, wordt van het inkomen niet [zat]. Dit is ook ijdelheid. Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten; wat nuttigheid hebben dan de bezitters daarvan, dan het gezicht hunner ogen? De slaap des arbeiders is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten; maar de zatheid des rijken laat hem niet slapen. Er is een kwaad, dat krankheid aanbrengt, [hetwelk] ik zag onder de zon: rijkdom van zijne bezitters bewaard tot hun eigen kwaad. Of de rijkdom zelf vergaat door eene moeielijke bezigheid; en hij gewint eenen zoon, en er is niet met al in zijne hand. Gelijk als hij voortgekomen is uit zijner moeders buik, [alzoo] zal hij naakt wederkeeren, gaande gelijk hij gekomen was; en hij zal niet medenemen van zijnen arbeid, dat hij met zijne hand zou wegdragen. Daarom is dit ook een kwaad, dat krankheid aanbrengt; dat hij in alle manier, gelijk hij gekomen is, alzoo heen gaat; en wat voordeel is het hem, dat hij in den wind gearbeid heeft? Dat hij ook al zijn dagen in duisternis gegeten heeft; en dat hij veel verdriets gehad heeft, ook zijne krankheid, en onstuimigen toorn? Ziet, wat ik gezien heb, eene goede zaak, die schoon is: te eten en te drinken, en te genieten het goede van al zijne arbeid, dien hij bearbeid heeft onder de zon, [gedurende] het getal der dagen zijns levens, hetwelk God hem geeft; want dat is zijn deel. Ook een iegelijk mensch, aan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en Hij geeft hem de macht, om daarvan te eten, en om zijn deel te nemen, en om zich te verheugen van zijnen arbeid, dat is een gave van God. Want hij zal niet veel gedenken aan de dagen zijns levens, dewijl God [hem] verhoort in de blijdschap zijns harten.

De mensch moest kunnen genieten van de goederen, die God hem geeft; maar die goederen geven hem geene volkomene voldoening.

6

ER is een kwaad, dat ik gezien heb onder de zon, en het is veel onder de menschen: Een man, welken God gegeven heeft rijkdom, en goederen, en eere; en hij heeft voor zijne ziel aan geen ding gebrek, van alles wat hij begeert; en God geeft hem de macht niet, om daarvan te eten, maar dat een vreemd man dat opeet. Dit is [ook] ijdelheid en eene kwade smart. Indien een man honderd [kinderen] gewon, en vele jaren leefde, zoodat de dagen zijner jaren vele waren, doch zijne ziel niet verzadigd werd van het goed, en hij ook geene begrafenis had; ik zeg, dat eene misdracht beter is dan hij. Want met ijdelheid komt zij, en in duisternis gaat zij weg, en met duisternis wordt haar naam bedekt. Ook heeft zij de zon niet gezien, noch bekend; zij heeft meer rust, dan hij. Ja, al leefde hij schoon tweemaal duizend jaren, en het goede niet zag; gaan zij niet allen naar ééne plaats? Al de arbeid des menschen is voor zijnen mond; en nochtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld. Want wat heeft de wijze meer dan de zot? Wat heeft de arme [meer], die voor de levenden weet te wandelen? Beter is het aanzien der oogen, dan het wandelen der begeerlijkheid. Dit is ook ijdelheid en kwelling des geestes. Wat ook iemand zij, alreede is zijn naam genoemd, en het is bekend, dat hij een mensch is; en dat hij niet kan rechten met dien, die sterker is dan hij. Voorwaar, er zijn veel dingen, die de ijdelheid vermeerderen; wat heeft de mensch te meer [daarvan]? Want wie weet, wat goed is voor den mensch in dit leven, [gedurende] het getal der dagen van het leven zijner ijdelheid, welke hij doorbrengt als eene schaduw? want wie kan den mens aanzeggen, wat na hem wezen zal onder de zon?

De rampen des levens; voordeelen der wijsheid en der gematigdheid.

7

BETER is een [goede] naam, dan goede olie, en de dag des doods, dan de dag, dat iemand geboren wordt. Het is beter te gaan in het klaaghuis, dan te gaan in het huis des maaltijds; [want] in hetzelve is het einde aller menschen, en de levende legt het in zijn hart. Het treuren is beter dan het lachen; want door de droefheid des aangezichts wordt het hart gebeterd. Het hart der wijzen is in het klaaghuis; maar het hart der zotten in het huis der vreugde: Het is beter te hooren het bestraffen des wijzen, dan dat iemand hore het gezang der dwazen; Want gelijk het geluid der doornen onder eenen pot is, alzoo is het lachen eens zots. Dit is ook ijdelheid. Voorwaar, de onderdrukking zou wel eene wijze dol maken; en het geschenk verderft het hart. Het einde van een ding is beter dan zijn begin; de lankmoedige is beter dan de hoogmoedige. Zijt niet haastig in uwen geest om te toornen; want de toorn rust in den boezem der dwazen. Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn, dan deze? Want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen. De wijsheid is goed met een erfdeel; en degenen, die de zon aanschouwen, hebben voordeel [daarvan]. Want de wijsheid is tot eene schaduw, [en] het geld is tot eene schaduw; maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haren bezitters het leven geeft. Aanmerk het werk Gods; want wie kan recht maken, wat Hij krom gemaakt heeft? Geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des tegenspoeds, zie toe; [want] God maakt ook den een' tegenover den ander', ter oorzake dat de mensch niet zou vinden iets, dat na hem zal zijn. Dit alles heb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid; er is een rechtvaardige, die in zijn gerechtigheid omkomt; daarentegen is er een goddeloze, die in zijn boosheid [zijne dagen] verlengt. Wees niet al te rechtvaardig, noch houd uzelven al te wijs; waarom zoudt gij verwoesting over u brengen? Wees niet al te goddeloos, noch wees [al te] dwaas; waarom zoudt gij sterven buiten uwe tijd? Het is goed, dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uw hand van dit niet af; want die God vreest, dien ontgaat dat alles. De wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappers, die in eene stad zijn. Voorwaar, er is geen mensch rechtvaardig op aarde, die goed doet, en niet zondigt. Geef ook uw hart niet tot alle woorden, die men spreekt, opdat gij niet hoort, dat uw knecht u vloekt. Want uw hart heeft ook veelmalen bekend, dat gij ook anderen gevloekt hebt. Dit alles heb ik met wijsheid verzocht; ik zeide: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was [nog] verre van mij. Hetgeen verre af is, en zeer diep, wie zal dat vinden? Ik keerde mij om, en mijn hart, om te weten, en om na te sporen, en te zoeken wijsheid en eene sluitrede; en om te weten de goddeloosheid der zotheid, en de dwaasheid der onzinnigheden: En ik vond een bitterder ding, dan de dood: een vrouw, welker hart netten en garen, [en] hare handen banden zijn; wie goed is voor Gods aangezicht, zal van haar ontkomen; daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden. Ziet, dit heb ik gevonden, zegt de Prediker, het eene bij het andere, om de sluitrede te vinden; Dewelke mijn ziel nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden: éénen man uit duizend heb ik gevonden; maar één vrouw onder die allen heb ik niet gevonden. Alleenlijk ziet, dit heb ik gevonden, dat God den mensch recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht.

Vermaning, om den koning en de overheid alle behoorlijke gehoorzaamheid te bewijzen.

8

WIE is gelijk de wijze? en wie weet de uitlegging der dingen? De wijsheid des menschen verlicht zijn aangezicht, en de stuurschheid zijns aangezichts wordt [daardoor] veranderd. Ik [zeg]: Neem acht op den mond des konings; doch naar de gelegenheid van den eed Gods. Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht; blijf niet staande in eene kwade zaak; want al wat hem lust, doet hij. Waar het woord des konings is, daar is heerschappij; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij? Wie het gebod onderhoudt, zal niets kwaads gewaar worden; en het hart eens wijzen zal tijd en wijze weten: Want een ieder voornemen heeft tijd en wijze, dewijl het kwaad des menschen veel is over hem; Want hij weet niet, wat er geschieden zal; want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal? Er is geen mensch, die heerschappij heeft over den geest, om den geest in te houden; en hij heeft geene heerschappij over den dag des doods; ook geen geweer in dezen strijd; ook zal de goddeloosheid hare meesters niet verlossen. Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn hart begaf tot alle werk, dat onder de zon geschiedt: er is een tijd, dat de [eene] mensch over den [anderen] mensch heerscht, hem ten kwade. Alzoo heb ik ook gezien de goddeloozen, die begraven waren, en [degenen], [die] kwamen, en uit de plaats des Heiligen gingen: die werden vergeten in die stad, [in] welke zij recht gedaan hadden. Dit is ook ijdelheid.

De zondaar wordt niet onmiddellijk gestraft; de rechtvaardige ondervindt dikwijls tegenspoed .

OMDAT niet haastiglijk het oordeel [over] de booze daad geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der menschen in hen vol om kwaad te doen. Hoewel een zondaar honderd[maal] kwaad doet, en [God] hem [de dagen] verlengt; zoo weet ik toch, dat het dien zal welgaan, die God vreezen, die voor Zijn aangezicht vreezen. Maar den goddelooze zal het niet welgaan, en hij zal de dagen niet verlengen; hij zal zijn gelijk eene schaduw, omdat hij voor Gods aangezicht niet vreest. Er is [nog] eene ijdelheid, die op aarde geschiedt: dat er zijn rechtvaardigen, dien het wedervaart naar het werk der goddeloozen, en er zijn goddeloozen, dien het wedervaart naar het werk der rechtvaardigen. Ik zeg, dat dit ook ijdelheid is. Daarom prees ik de blijdschap, dewijl de mensch niets beters heeft onder de zon, dan te eten, en te drinken, en blijde te zijn; want dat zal hem aankleven van zijnen arbeid, de dagen zijns levens, die geeft hem God onder de zon. Als ik mijn hart begaf, om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid, die op de aarde geschiedt, dat men ook, des daags of des nachts, den slaap niet ziet met zijne oogen: Toen zag ik al het werk Gods, dat de mensch niet kan uitvinden, het werk, dat onder de zon geschiedt, om hetwelk een mensch arbeidt om te zoeken; maar hij zal het niet uitvinden; ja, indien ook een wijze zeide, dat hij het zou weten, zoo zal hij het [toch] niet kunnen uitvinden.

De prediker verhaalt eenige dingen, die zoowel den vromen als den goddeloozen wedervaren; daarom is het beste, om met blijdschap de gaven God te genieten .

9

ZEKERLIJK, dit alles heb ik in mijn hart gelegd, opdat ik dit alles klaarlijk mocht verstaan, dat de rechtvaardigen, en de wijzen, en hunne werken in de hand Gods zijn; ook liefde, ook haat, weet de mensch niet [uit] al hetgeen voor zijn aangezicht is; Alle ding [wedervaart hun], gelijk aan alle [anderen]; eenerlei wedervaart den rechtvaardige en den goddelooze, den goede en den reine, als den onreine; zoo dien, die offert, als dien, die niet offert; gelijk den goede, alzoo [ook] den zondaar; dien, die zweert, gelijk dien, die den eed vreest. Dit is een kwaad onder alles, wat onder de zon geschiedt, dat eenerlei ding allen wedervaart, en dat ook het hart der menschenkinderen vol boosheid is, en dat er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart; en daarna [moeten] zij naar de dooden toe. Want voor dengene, die vergezelschapt is bij alle levenden, is er hope; (want een levende hond is beter dan een dode leeuw); Want de levenden weten, dat zij sterven zullen, maar de dooden weten niet met al; zij hebben ook geen loon meer, maar hunne gedachtenis is vergeten; Ook is alreede hunne liefde, ook hun haat, ook hunne nijdigheid vergaan; en zij hebben geen deel meer in [deze] eeuw in alles, wat onder de zon geschiedt. Ga [dan] heen, eet uw brood met vreugde, en drink uwen wijn van goeder harte; want God heeft alreeds een behagen aan uwe werken. Laat uwe klederen te allen tijd wit zijn, en laat op uw hoofd geene olie ontbreken. Geniet het leven met de vrouw, die gij liefhebt, al de dagen uws ijdelen levens, welke [God] u gegeven heeft onder de zon, al uwe ijdele dagen; want dit is uw deel in dit leven, en van uwe arbeid, dien gij arbeidt onder de zon. Alles, wat uwe hand vindt om te doen, doe [dat] met uwe macht; want er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar gij heengaat.

De wijsheid is dikwijls nuttiger voor anderen, dan voor hem, die ze bezit .

IK keerde mij, en zag onder de zon, dat de loop niet is der snellen, noch de strijd der helden, noch ook de spijs der wijzen, noch ook de rijkdom der verstandigen, noch ook de gunst der welwetenden, maar dat tijd en toeval aan alle dezen wedervaart; Dat ook de mensch zijnen tijd niet weet, gelijk de visschen, die gevangen worden met het booze net; en gelijk de vogelkens, die gevangen worden met den strik; gelijk die, [alzoo] worden de kinderen der menschen verstrikt, ter boozer tijd, wanneer derzelve haastiglijk over hen valt. Ook heb ik onder de zon deze wijsheid gezien, en zij was groot bij mij: Er was eene kleine stad, en weinige lieden waren daarin; en een groot koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde groote vastigheden tegen haar: En men vond daar eenen armen wijzen man in, die de stad verloste door zijne wijsheid; maar geen mensch gedacht denzelven armen man. Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen veracht, en zijn woorden niet waren gehoord geweest. De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen, die over de zotten heerscht. De wijsheid is beter dan de krijgswapenen, maar een eenig zondaar verderft veel goeds.

De dwaasheid is oorzaak van allerlei ongelukken.

10

EEN doode vlieg doet de zalf des apothekers stinken [en] opwellen; [alzoo] een weinig dwaasheid eenen [man], die kostelijk is van wijsheid [en] van eere. Het hart des wijzen is tot zijne rechter-, maar het hart eens zots is tot zijne linkerhand. En ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt [hem], en hij zegt tot een' iegelijk, dat hij dwaas is. Als de geest des heerschers tegen u oprijst, verlaat uwe plaats niet; want het is medicijn, het stilt groote zonden. Er is [nog] een kwaad, [dat] ik gezien heb onder de zon, als een dwaling, die van het aangezicht des oversten voortkomt: Een dwaas wordt gezet in groote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte. Ik heb knechten te paard gezien, en vorsten, gaande als knechten op de aarde. Wie eene kuil graaft, zal daarin vallen; en wie eene muur doorbreekt, eene slang zal hem bijten. Wie steenen wegdraagt, zal smart daardoor lijden; wie hout klieft, zal daardoor in gevaar zijn. Indien hij het ijzer heeft stomp gemaakt, en hij slijpt de snede niet, dan moet hij meerder kracht te werk stellen; maar de wijsheid is eene uitnemende zaak, om [iets] recht te maken. Indien de slang gebeten heeft, eer der bezwering geschied is, dan is er geene nuttigheid voor den allerwelsprekendsten [bezweerder]. De woorden van eenen wijzen mond zijn aangenaam; maar de lippen van eenen zot verslinden hemzelven. Het begin der woorden zijns monds is dwaasheid, en het einde zijns monds is booze dolligheid. De dwaas maakt wel vele woorden; [maar] de mensch weet niet, wat het zij, dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven? De arbeid der zotten maakt een' iegelijk van hen moede; dewijl zij niet weten naar de stad te gaan. Wee u, land! welks koning een kind is, en welks vorsten in den morgenstond eten! Welgelukzalig zijt gij, land! welks koning een zoon der edelen is, en welks vorsten ter rechter tijd eten, tot sterkte en niet tot drinkerij. Door groote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende. Men maakt maaltijden om te lachen, en de wijn verheugt de levenden, en het geld verantwoordt alles. Vloek den koning niet, zelfs in uwe gedachten, en vloek den rijke niet in het binnenste uwer slaapkamer; want het gevogelte des hemels zou de stem wegvoeren, en het gevleugelde zou het woord te kennen geven.

Laat ons het goede doen, terwijl wij er in de gelegenheid voor zijn.

11

WERP uw brood uit op het water, want gij zult het vinden na vele dagen. Geef een deel aan zeven, ja, ook aan acht; want gij weet niet, wat kwaad op de aarde wezen zal. Als de wolken vol geworden zijn, zoo storten zij plasregen uit op de aarde; en als de boom naar het zuiden, of als hij naar het noorden valt, in de plaats, waar de boom valt, daar zal hij wezen. Wie op den wind acht geeft, die zal niet zaaien, en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien. Gelijk gij niet weet, welke de weg des winds zij, [of] hoedanig de beenderen zijn in den buik van eene zwangere [vrouw], alzoo weet gij het werk Gods niet, Die het alles maakt. Zaai uw zaad in den morgenstond, en trek uwe hand des avonds niet af; want gij weet niet, wat recht wezen zal, of dit of dat, of dat die beide tezamen goed zijn zullen. Verder, het licht is zoet, en het is den ogen goed de zon te aanschouwen; Maar indien de mensch veel jaren heeft, [en] verblijdt zich in die alle, zo laat hem ook gedenken aan de dagen der duisternis; want die zullen vele zijn; [en] al wat gekomen is, is ijdelheid.

De jongelieden moeten zich voor den ouderdom en den dood voorbereiden .

VERBLIJD u, o jongeling! in uwe jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap, en wandel in de wegen uws harten, en in de aanschouwingen uwer oogen; maar weet, dat God, om al deze dingen, u zal doen komen voor het gericht. Zoo doe dan de toornigheid wijken van uw hart, en doe het kwade weg van uw vleesch; want de jeugd, en de jonkheid is ijdelheid.

12

EN gedenk aan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschap, eer dat de kwade dagen komen, en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geenen lust in dezelve. Eer dan de zon, en het licht, en de maan, en de sterren verduisterd worden, en de wolken wederkomen na den regen. In den dag, wanneer de wachters des huizes zullen beven, en de sterke mannen zichzelven zullen krommen, en de maalsters zullen stilstaan, omdat zij minder geworden zijn, en die door de vensteren zien, verduisterd zullen worden; En de twee deuren naar de straat zullen gesloten worden, als er is een nederig geluid der maling, en hij opstaat op de stem van het vogeltje, en al de zangeressen nedergebogen zullen worden. Ook [wanneer] zij voor de hoogte zullen vreezen, en dat er verschrikkingen zullen zijn op den weg, en de amandelboom zal bloeien, en dat de sprinkhaan zichzelven een last zal wezen, en dat de lust zal vergaan; want de mensch gaat naar zijn eeuwig huis, en de rouwklagers zullen in de straat omgaan. Eer dan de zilveren koorde ontketend wordt, en de gulden schaal in stukken gestooten wordt, en de kruik aan de springader gebroken wordt, en het rad aan den bornput in stukken gestoten wordt; En dat het stof wederom tot aarde keert, als het geweest is; en de geest weder tot God keert, Die hem gegeven heeft.

De hoofdzaak voor den mensch is: God te vreezen en Zijne geboden te onderhouden .

IJDELHEID der ijdelheden, zegt de Prediker; het is al ijdelheid! En voorts, dewijl de Prediker wijs geweest is, zoo leerde hij het volk nog wetenschap, en merkte op, en onderzocht; hij stelde vele spreuken in orde. De Prediker zocht aangename woorden uit te vinden, en het geschrevene is recht, woorden der waarheid. De woorden der wijzen zijn gelijk prikkelen, en gelijk nagelen, diep ingeslagen [van] de meesters der verzamelingen, [die] gegeven zijn van den eenigen Herder. En wat boven deze is, mijn zoon! wees gewaarschuwd; van vele boeken te maken is geen einde, en veel lezens is vermoeiing des vleesches. Van alles, wat gehoord is, is het einde van de zaak: Vrees God, en houd Zijne geboden, want dit [betaamt] allen menschen. Want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, hetzij goed, of hetzij kwaad.